KBA Nijmegen
KBA
KBA

Monitor hybride onderwijs in het primair en voortgezet onderwijs


Door de tijdelijke (gedeeltelijke) sluiting van de scholen in verband met de coronacrisis, die medio maart 2020 inging, schakelden veel scholen over op ‘hybride onderwijs’. Via een mix van online en offline hulpmiddelen en passende didactiek werd het onderwijs zo georganiseerd dat het plaatsonafhankelijk gegeven kon worden. KBA Nijmegen heeft de Monitor hybride onderwijs in opdracht van de PO-Raad en Kennisnet uitgevoerd in het primair onderwijs (PO) en in opdracht van Kennisnet in het voortgezet onderwijs (VO). Met behulp van deze monitor is in kaart gebracht hoe het onderwijs vorm kreeg in de periode van medio maart tot respectievelijk juni 2020 (PO) en de zomervakantie 2020 (VO), hoe betrokkenen dat hebben ervaren en welke opbrengsten zij zien. Scholen en besturen die aan de monitor hebben deelgenomen, hebben een terugkoppeling over hun eigen resultaten gekregen.
 
Het onderzoek
Zowel in het PO als in het VO zijn vragenlijsten ingevuld door vier doelgroepen: schoolleiders en ict-coördinatoren, leraren, ouders en leerlingen. De dataverzameling is in juni 2020 gestart en voortgezet tot medio januari 2021. In november 2020 verscheen de eerste rapportage voor het PO. Nu is de rapportage voor het VO beschikbaar, evenals de tweede rapportage voor het PO. Deze is in vergelijking met de eerste rapportage geactualiseerd en uitgebreid met de resultaten van verdiepende analyses. De PO-rapportage is gebaseerd op vragenlijsten die zijn ingevuld door 206 schoolleiders/ict-coördinatoren, 1188 leraren, 4749 ouders en 3172 leerlingen. De VO-rapportage is gebaseerd op data van 38 schoolleiders/ict-coördinatoren, 441 leraren, 3020 ouders en 1521 leerlingen.
 
Primair onderwijs
Volgens drie op de vijf ouders verzorgde de school in de periode van medio maart tot juni 2020 elke schooldag een gestructureerd lesprogramma voor hun kind. Volgens leraren lag de nadruk voor leerlingen daarbij op oefenen, vaak met oefensoftware. Veel leraren geven aan dat zij vaak instructie gaven, de lesmethoden volgden en het digitale materiaal gebruikten dat de lesmethode voorschrijft. Contact met de leerlingen vond vooral telefonisch of online via beeld en spraak plaats. Veel leraren hadden ook regelmatig contact met ouders. De meeste ouders hielpen door het geven van uitleg aan hun kind, door de vorderingen te volgen en door te controleren of hun kind het schoolwerk af had. Drie op de vijf ouders zijn positief over de ondersteuning die de school bood bij het schoolwerk thuis, terwijl bijna een vijfde daarover niet tevreden is. Een op de vijf vindt dat het onderwijsaanbod onvoldoende was afgestemd op hun kind. De helft van de ouders vindt dat het thuisonderwijs hen als ouder te veel tijd kostte. Terwijl de helft er vertrouwen in heeft dat hun kind met thuisonderwijs genoeg geleerd heeft, maakt bijna een derde van de ouders zich (een beetje) zorgen over de achterstand die hun kind heeft opgelopen. Ouders zijn positiever over de leeropbrengst, naarmate zij positiever zijn over de ondersteuning die de school bij het thuisonderwijs bood en naarmate het kind gemotiveerd was voor het schoolwerk en daar zelfstandig aan werkte.
 
Bijna een kwart van de leerlingen zou sommige leeractiviteiten liever thuis blijven uitvoeren, ook als de school gewoon elke dag open is. Zij noemen vooral het maken van oefeningen op de computer, het maken van opdrachten waarbij je informatie moet zoeken op internet en werken aan een eigen weektaak.
 
Volgens de helft van de leraren is niet getoetst of bij hun leerlingen achterstanden in de cognitieve ontwikkeling zijn ontstaan in de periode waarin zij niet naar school konden. Van de leraren waar wel is getoetst, meldt bijna de helft dat er geen achterstand op cognitief gebied is ontstaan, of dat deze beperkt is tot maximaal tien procent van de leerlingen. De belangrijkste opbrengst van het onderwijs op afstand is volgens leraren dat leerlingen hierdoor zelfstandiger zijn geworden, zelfstandiger hebben kunnen werken of beter hebben leren plannen. De belangrijkste opbrengst die leraren voor zichzelf zien, is dat zij vaardiger zijn geworden in het werken met ICT.
 
Voortgezet onderwijs
Het onderwijs in de periode van medio maart tot de zomervakantie 2020 werd volgens de leraren in het VO vooral gekenmerkt doordat zij online les gaven en leerlingen veel oefenden. Leraren gaven naar eigen zeggen veel feedback, zij gaven online individueel uitleg of hulp en hadden via beeld en spraak contact met leerlingen over de voortgang. De helft van de leraren maakte (heel) vaak gebruik van het digitale materiaal dat bij de lesmethode hoort. Volgens de leraren maakten zij in die periode vooral meer gebruik van ICT en besteedden zij meer tijd aan administratieve verantwoording en lesvoorbereiding. De meerderheid van de ouders geeft aan dat er elke schooldag vanuit huis toegang was tot digitaal leermateriaal van school en dat de school elke schooldag digitale lessen of instructie verzorgde. In het algemeen vinden ouders dat het onderwijsaanbod goed was afgestemd op het niveau en tempo van hun kind en zijn zij tevreden over de ondersteuning die de school bood. Relatief veel ouders vinden echter dat zij te weinig zicht hadden op het schoolwerk dat hun kind moest doen en dat zij te weinig contact met de mentor hadden. De meeste ouders vinden dat hun kind behoorlijk zelfstandig de schooltaken kon maken en de meeste ouders antwoorden desgevraagd dat zij geen hulp hebben gegeven bij het schoolwerk of minder dan een half uur per dag hebben geholpen. Een op de vijf maakt zich zorgen over achterstand die hun kind mogelijkerwijs heeft opgelopen en een kwart maakt zich daarover een beetje zorgen.
 
Leerlingen geven aan dat zij de computer het meest gebruikten om te zien wat zij voor school moesten doen, om oefeningen te maken, om instructie of uitleg te krijgen en om contact te hebben met klasgenoten. Twee derde doet naar eigen zeggen actief mee tijdens online lessen en de helft vindt dat de docenten vaak of altijd goede uitleg geven tijdens de online lessen. Een derde van de leerlingen zegt nooit uitleg van de ouders te hebben gekregen bij lesstof. De meeste leerlingen vinden dat zij thuis al hun werk voor school goed konden maken. Ruim de helft vindt dat zij thuis vaak of altijd beter zelfstandig konden werken dan op school. Leerlingen die vinden dat zij thuis meer hebben geleerd dan op school, zijn echter duidelijk in de minderheid. Uit de verdiepende analyses blijkt dat leerlingen beter gemotiveerd zijn om thuis aan het schoolwerk te werken als er goede online lessen zijn, waarin docenten goede uitleg geven en de leerling actief meedoet, als hun ouders helpen en toezien op wat zij gedaan hebben en als zij in rust en met regelmaat aan hun schoolwerk werken.
 
De leraren is gevraagd of voor hun vak(ken) is getoetst of er achterstanden in de cognitieve ontwikkeling van leerlingen zijn ontstaan in de periode dat zij niet naar school konden. Volgens een op de vijf leraren is dat bij hun vak(ken) niet van toepassing. Van de leraren waar een dergelijke toetsing wel aan de orde zou zijn, geeft twee derde aan dat dit niet is getoetst. Is er wel getoetst, dan weet een op de vijf leraren niet of er achterstanden zijn ontstaan, terwijl twee derde aangeeft dat er wel achterstanden zijn gemeten, doorgaans bij een minderheid van de leerlingen. Volgens leraren, schoolleiders en ict-coördinatoren is de groep leerlingen waarbij negatieve effecten optreden van het onderwijs op afstand op leerprestaties, motivatie en welbevinden groter dan de groep waarbij positieve effecten optreden. Leraren zien als belangrijkste opbrengst van het onderwijs op afstand voor leerlingen dat zij hierdoor zelfstandiger zijn geworden, zelfstandiger werken of (beter) hebben leren plannen. Voor zichzelf zien leraren vooral de inzet van ICT/digitale leermiddelen in het onderwijs en hun toegenomen vaardigheid in het werken met ICT als belangrijkste opbrengst.
 
Uit de verdiepende analyses blijkt dat de mate waarin de leraar positieve opbrengsten bij de leerlingen heeft ervaren, het beste wordt voorspeld door de mate waarin de leraar digitale leermiddelen heeft ingezet in het onderwijs. Daarnaast dragen het verzorgen van active­rend onderwijs, betere randvoorwaarden voor ICT-gebruik op school en meer communicatie met en feedback aan leerlingen en ouders bij aan het gevoel dat de opbrengst van het onderwijs positief was.
  
Download rapportages
Download de tweede rapportage voor het primair onderwijs
Download de rapportage voor het voortgezet onderwijs
 
Meer informatie
Dr. Ed Smeets
e.smeets@kbanijmegen.nl